Hof van Cassatie bevestigt strikte interpretatie van de opzegging tegen pensioenleeftijd
De verkorte opzeggingstermijn kan ten vroegste 26 weken vóór het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd starten.
Context
Een arbeidsovereenkomst eindigt niet automatisch wanneer de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. De gewone ontslagregels blijven van toepassing. Dit betekent dat de correcte opzeggingstermijn moet worden nageleefd of dat een opzeggingsvergoeding verschuldigd is. Bovendien mag het bereiken van de pensioenleeftijd op zich niet als ontslagmotief worden gebruikt, aangezien dit mogelijks een verboden leeftijdsdiscriminatie uitmaakt.
Artikel 37/6 van de Arbeidsovereenkomstenwet voorziet evenwel in een specifieke regeling wanneer de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt met het oog op pensionering. De opzegtermijn mag dan ten vroegste eindigen de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. In dat geval bedraagt de afwijkende opzeggingstermijn maximaal 26 weken, ook wanneer de normale opzeggingstermijn meer dan 26 weken zou bedragen.
Beslissing van het Arbeidshof van Brussel
In een arrest van 12 maart 2024 oordeelde het Arbeidshof van Brussel opvallend genoeg dat de termijn van 26 weken geen maximum, maar een minimumtermijn zou zijn. Volgens het Arbeidshof kon de werkgever dus een verkorte opzeggingstermijn betekenen die langer dan 26 weken loopt, op voorwaarde dat deze ten vroegste eindigde op of na het tijdstip waarop de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt.
In deze zaak had de werkgever een opzeggingstermijn van dertien maanden betekend, die reeds korter was dan de wettelijke opzeggingstermijn die normaal gezien gerespecteerd had moeten worden. Die termijn eindigde na het bereiken van de pensioenleeftijd. Het Arbeidshof achtte deze werkwijze rechtsgeldig.
Oordeel van het Hof van Cassatie
Het Hof van Cassatie verwerpt de interpretatie van het Arbeidshof in zijn arrest van 12 januari 2026.
Het Hof stelt dat artikel 37/6 van de Arbeidsovereenkomstenwet een afwijkende bepaling is die beperkend moet worden uitgelegd. De erin vermelde opzeggingstermijn mag niet beginnen lopen meer dan zesentwintig weken vóór het tijdstip waarop de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt.
Daaruit volgt dat de termijn van 26 weken een maximumtermijn is en geen minimumtermijn. De werkgever kan zich enkel op deze afwijkende regeling beroepen wanneer de opzeggingstermijn aanvangt binnen de periode van 26 weken vóór het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Wordt de opzegging vroeger betekend en begint de termijn dus meer dan 26 weken voordien te lopen, dan is artikel 37/6 niet van toepassing en gelden de gewone wettelijke opzeggingstermijnen.
Het Hof vernietigt daarom het arrest van het Arbeidshof.
Te onthouden?
Dit arrest verduidelijkt dat artikel 37/6 Arbeidsovereenkomstenwet strikt moet worden toegepast. Het volstaat niet dat de opzeggingstermijn eindigt op of na de pensioenleeftijd. Ook het beginpunt van de opzeggingstermijn is belangrijk. De termijn mag niet vroeger starten dan 26 weken vóór het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd.
Bron: Hof van Cassatie 12 januari 2026, S.24.0062.N/2, juportal.be.