Het Hof van Justitie van de Europese Unie verduidelijkt hoe de sociale zekerheidswetgeving voor grensarbeiders moet worden bepaald
Wanneer een werknemer in meerdere landen actief is, is in principe het socialezekerheidsstelsel van het land waarin hij een aanzienlijk deel van zijn werkzaamheden verricht, van toepassing.Het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt dat om te bepalen welk socialezekerheidsstelsel van toepassing is, rekening moet worden gehouden met alle activiteiten, inclusief de activiteiten die in derde landen worden uitgeoefend.
Feiten
Een werknemer is gedomicilieerd in Duitsland. Hij werkt voor een in Zwitserland gevestigde onderneming. Hij verricht zijn werkzaamheden in Zwitserland, in Duitsland (in het kader van telewerken) en in derde landen.
De vraag rijst welk sociaalzekerheidsstelsel in deze situatie van toepassing is. Volgens het Europees recht is in principe de wetgeving van de woonstaat van toepassing wanneer de werknemer daar een “substantieel deel” van zijn werkzaamheden verricht. Indien dat niet het geval is, geldt de wetgeving van de staat waar de werkgever is gevestigd.
In de praktijk is aan dit criterium van wezenlijke activiteit voldaan wanneer ten minste 25 % van de gewerkte tijd en/of het loon in de woonstaat wordt verkregen.
De werknemer wendt zich tot de bevoegde Duitse instantie om de toepasselijke wetgeving vast te stellen. De instantie is van mening dat de Duitse wetgeving van toepassing is, aangezien de drempel van 25 % in Duitsland wordt bereikt.
De werknemer betwist dit. Hij stelt dat rekening moet worden gehouden met al zijn activiteiten, inclusief die in derde landen, waardoor het aandeel van zijn in Duitsland verrichte werkzaamheden kleiner wordt. Het geschil wordt voorgelegd aan de Duitse rechtbanken. De beroepsinstantie stelt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Beslissing van het Hof
Het Hof oordeelt dat bij de beoordeling of een substantieel deel van de werkzaamheden in de woonstaat wordt verricht, rekening moet worden gehouden met alle activiteiten van de werknemer, met inbegrip van de werkzaamheden die in derde landen worden uitgevoerd.
Het Hof baseert zich daarbij zowel op de bewoordingen van de regelgeving als op het doel ervan, namelijk het waarborgen van een goede coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels en het verzekeren van de effectieve uitoefening van het vrije verkeer van personen binnen de Unie.
Het Hof benadrukt dat het begrip “substantieel deel” een globale beoordeling van de beroepsactiviteit vereist. Geen enkele bepaling beperkt deze beoordeling tot activiteiten die uitsluitend binnen de lidstaten worden verricht.
In casu leidt de opname van de activiteiten in derde landen ertoe dat de drempel van 25% in de woonstaat niet wordt gehaald. Bijgevolg is de wetgeving van de staat waar de werkgever is gevestigd van toepassing, in dit geval Zwitserland.
Te onthouden?
Bij de bepaling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving voor werknemers die in meerdere landen werken, moet rekening worden gehouden met alle activiteiten, inclusief die in derde landen.
Deze interpretatie maakt het moeilijker om de drempel van 25% in de woonstaat te bereiken. Dit kan ertoe leiden dat de wetgeving van het land waar de werkgever zijn hoofdkantoor of vestigingsplaats heeft, vaker van toepassing is.
Bron: HvJ-EU, 11 december 2025, C-743/23.